Brein in een vat? Een anti-sceptisch antwoord.


Ik wil hier met behulp van Wittgensteins (W) opmerkingen in "Over Zekerheid" (OZ) de sceptische hypothese (SH) proberen te weerleggen dat ik in werkelijkheid een brein in een vat ben (BIV) nl. dat mijn hersenen en zenuwstelsel zijn opgehangen in een vat vloeistof, terwijl ze gevoed worden met stimuli door een computer. Deze computer geeft mij een perfecte simulatie van een materiele wereld. Een ordinaire propositie (O) is een alledaagse propositie over deze materiele wereld. Bijv." Ik zit op een stoel" of "ik heb handen".
In een logisch argument:
S1. Ik weet niet dat niet-SH;
S2. Als ik niet-SH niet weet, dan weet ik O niet;
SC=Sceptische Conclusie: Ik weet O niet.
De scepticus betwijfelt of een gerechtvaardigd geloof over bijvoorbeeld de externe wereld, ‘other minds’ of het verleden mogelijk is.
Dit sceptisch argument, het zogenaamde “argument from ignorance”, is moeilijk te weerleggen. Intuïtief lijken de uitgangspunten juist. Let wel het gaat om een perfecte simulatie en het is onmogelijk te bepalen wat de werkelijke situatie buiten mijn brein is.
Je zou de stelling om kunnen draaien en er tegen in kunnen brengen:
M1 : Ik weet dat ik handen heb.
M2: Als ik weet dat ik handen heb, weet ik dat ik geen BIV ben.
M3: Ik weet dat ik geen BIV ben.
Maar dit is een onvolledige argumentatie. Ik weet dat ik weet, zeg je in bovenstaande redenering. Hoe weet je dat? Als anti-scepticus wil ik een antwoord formuleren hoe kennis mogelijk is en niet alleen maar zeggen: ik weet. Ik wil een diagnose geven van de plausibiliteit van het sceptisch argument. Hoe kan het dat wij dit argument zo overtuigend vinden, terwijl het niet geldig is en we er ons in het dagelijkse leven ook niets van aantrekken?

Een analyse van de begrippen zekerheid en kennis en hun relatie aan de hand van Wittgensteins scharnierproposities in “Over Zekerheid” .

De zekerheid over het hebben van handen en de kennis die daaruit voortvloeit wordt misbruikt aldus W. De bewering “ik weet” wordt als een garantie gezien voor waarheid, we bedoelen dat wat wij weten ook feitelijk zo is. Daarmee zien we over het hoofd dat er ook een uitspraak is als “ik dacht te weten”. Die mogelijkheid betekent dat hoe zeker je ook van bovenstaande proposities (M1tot M3) bent, je daar niet de waarheid uit kunt afleiden. De waarheid moet nog bewezen worden.



W. OZ. 11. Je ziet gewoonweg niet hoe buitengewoon gespecialiseerd het gebruik van
“Ik weet” is.


12. Want “Ik weet……” schijnt een feitelijke toestand te beschrijven die waarborg is voor de feitelijkheid van dat wat je weet.


13. Het is namelijk niet zo dat je de zin “Het is zo” kan afleiden uit iemands uitlating “Ik weet dat het zo is”. Ook niet uit de uitlating en het feit dat het geen leugen is. –Maar kan ik niet uit mijn eigen uitlating “Ik weet etc.” afleiden “Het is zo” ? Zeker en uit de zin “Hij weet dat daar een hand is” volgt ook “Daar is een hand….. ”. Maar uit zijn uitlating “Ik weet….” volgt niet dat hij het weet.


14. Het moet eerst bewezen worden dat hij het weet.


15. Dat geen vergissing mogelijk was, moet bewezen worden. De verzekering “Ik weet het” is niet voldoende. Want ze is toch slechts de verzekering, dat ik me daar niet kan vergissen, en dat ik me daarin niet vergis, moet objectief vaststelbaar zijn.


Beweringen waar wij zeker van zijn kunnen niet leiden tot een bewijs voor het bestaan van een externe wereld. “Ik weet ” heeft een relatie tot de mogelijkheid zich te vergissen:

W.OZ.20. “Het bestaan van de buitenwereld betwijfelen” betekent immers niet, bij voorbeeld, het bestaan van een planeet betwijfelen, waarvan latere observaties het bestaan bewijzen. Of wil Moore ( W. verwijst hier naar het common sense debat waar Moore zich als anti-scepticus op beroept) zeggen dat het weten dat hier zijn hand is, van een ander soort is, dan dat, dat de planeet Saturnus bestaat? Anders zou men twijfelaars op de ontdekking van de planeet S. kunnen wijzen en zeggen, dat zijn bestaan bewezen is, dus ook het bestaan van de buitenwereld.


W.OZ.22. Het zou toch merkwaardig zijn, als we een betrouwbaar man moesten geloven die zegt “Ik kan me niet vergissen”; of degene die zegt “Ik vergis me niet”.


De notie van twijfel wordt door W. gebruikt om te bepalen hoe beweringen tot kennis leiden. Hij gebruikt twijfel als leidraad bij zijn onderzoek naar ons gebruik van kennisuitspraken. Als we twijfelen moeten we op zoek naar gronden voor onze bewering. De gronden moeten zekerder zijn omdat W. onze praktijk van onderzoek en twijfel beschrijft binnen de kaders van zijn notie van een taalspel:

W.OZ.553. Het is merkwaardig: als ik zonder bijzondere aanleiding zeg “Ik weet”, bij voorbeeld “Ik weet dat ik nu op een stoel zit”, dan schijnt me de uitspraak ongerechtvaardigd en aanmatigend toe. Maar ik doe dezelfde uitspraak, als er behoefte aan is, dan schijnt hij me, hoewel ik van zijn waarheid geen haar zekerder ben, volkomen gerechtvaardigd en alledaags te zijn.
W.OZ.554. In zijn taalspel is hij niet aanmatigend. Daar staat hij niet hoger dan het menselijke taalspel. Want daar heeft hij zijn beperkte toepassing.
Maar zodra ik de zin buiten zijn context uitspreek, wordt hij in een verkeerd licht geplaatst. Want dan is het alsof ik wil verzekeren dat er dingen zijn die ik weet. Waarover God zelf me niets zou kunnen vertellen.


Het probleem met de bewering: “ik heb handen” is dat er geen gronden zekerder zijn dan de uitspraak: “ik heb handen ”. Deze uitspraak is niet verder te onderbouwen.


W. laat hier eigenlijk zien dat wanneer er geen gronden zijn voor twijfel aan beweringen er geen sprake is van kennisuitspraken:

W.OZ 247. Hoe zou het zijn om er nu aan te twijfelen dat ik twee handen heb? Waarom kan ik me dat helemaal niet voorstellen? Wat zou ik geloven, als ik dat niet geloofde? Ik heb nog helemaal geen systeem, waarbinnen deze twijfel mogelijk zou zijn.



Ons taalspel als een netwerktheorie van kennis en twijfel.


W. spreekt hier in bovenstaande W.OZ.247 van een systeem. Bij W. komt het beeld naar voren dat ons taalspel een netwerktheorie van kennis en twijfel is. Er bestaan geen losse beweringen, maar al onze beweringen zijn met elkaar verweven. Binnen dit systeem bestaan er beweringen die betwijfelbaar zijn en beweringen die dat niet zijn. Deze beweringen betreffen hier volgens W. zogenaamde scharnierproposities. Het kenmerk van deze scharnieren is dat ze onbetwijfelbaar zijn en dus ook geen voorbeelden van kennis kunnen zijn. Het zijn de draaipunten waaromheen wij onze kennis organiseren.

341. Dat wil zeggen: de vragen die we stellen, en onze twijfels, berusten erop dat bepaalde zinnen van twijfel zijn uitgesloten, als het ware de scharnieren waaraan de vragen en twijfels draaien


342. Dat betekent dat tot de logica van onze wetenschappelijke onderzoekingen behoort dat bepaalde dingen inderdaad niet worden betwijfeld.


343. Maar daarmee is het niet zo dat we gewoon niet alles kunnen onderzoeken en ons daarom noodgedwongen tevreden moeten stellen met de veronderstelling.
Als ik wil dat de deur draait. dan moeten de scharnieren vastzitten.




Welke proposities als scharnier functioneren ligt niet vast. Scharnieren spelen een rol in de netwerktheorie van kennis maar zij vormen niet de fundamenten van onze kennis:

W.OZ.204. De fundering echter, de rechtvaardiging van de evidentie, komt tot een einde; -maar het einde is niet dat we de waarheid van bepaalde zinnen onmiddellijk inzien, dus een soort zien onzerzijds, maar ons handelen, dat ten grondslag ligt aan het taalspel.


Het zijn geen onveranderlijke items van kennis, waarin ons totale kennissysteem voorgoed verankerd ligt. De scharnieren zijn onbetwijfelbaar maar dat betekent niet dat ze ook waar moeten zijn. Toch hebben ze een anti- sceptische impact! De scharnier proposities zijn weliswaar niet rationeel gegrond maar ons geloof erin en in de bijbehorende structuur van kennisuitspraken is dat wel. Zij zijn gegrond in ons taalspel en daarmee in ons leven.


Tot zover deze schets van een diagnose van de sceptische hypothese. Het is tevens een poging tot analyse van wat kennis is, wat kunnen we zeker weten aan de hand van Wittgenstein. Een eenduidig anti-sceptische antwoord is er niet, het is complexe materie. Ik hoop dat ik een aantal zaken heb aangestipt die tot denken aanzetten. De voorlopige conclusie is:

Als ik wil dat de deur draait, dan moeten de scharnieren vastzitten.
 
Rotterdam, 9 september 2014, Herma Klijnstra   




< vorige
Begrijpen op de tast
volgende >
Fieldwork